Zahra (50): ‘Elke dag vraag ik me af wat mijn kinderen morgen zullen eten’
Zahra wil niets liever dan zelf aan het werk, om voor haar kinderen te kunnen zorgen. Maar in het vluchtelingenkamp in Tsjaad is het nauwelijks mogelijk om een bestaan op te bouwen. Twee jaar geleden werd haar man voor haar ogen vermoord en haar huis in Soedan verwoest. Nu draait elke dag om één vraag: hoe voed ik mijn kinderen?
Zahra woonde tot twee jaar geleden met haar man en kinderen in de Soedanese stad Geneina. Haar man werkte als boer en ambachtsman en zorgde voor het inkomen. De oorlog veranderde alles.
“Ze hebben mijn man thuis voor mijn ogen vermoord,” vertelt ze. “Daarna sloegen ze mij en staken ze ons huis in brand. Ze bedreigden mijn dochter dat ze haar ook zouden vermoorden als ze niet stopte met huilen.”
“Mijn dochter huilde onophoudelijk. Ik wist dat ik sterk moest blijven, want als ik dat niet deed, zou ik haar verliezen. Ik bedekte het lichaam van mijn man met mijn kleren en vluchtte met mijn dochter richting de bergen. Toen ze ons hoorden huilen, begonnen ze ook daar op ons te schieten. We verstopten ons achter een muur.”
Tijdens de vlucht werd het gezin meerdere keren aangevallen. Haar kinderen liepen grote afstanden op blote voeten. “We geloofden niet dat we het zouden overleven,” zegt Zahra. Uiteindelijk bereikten ze via Adré een relatief veilige plek.
Onzekerheid
In Tsjaad werden ze goed opgevangen, maar de omstandigheden zijn loodzwaar: door het grote aantal Soedanese vluchtelingen is er aan alles een enorm gebrek. “We hebben geen bedden meer, dus de kinderen slapen op de grond. En door het grote tekort aan werk heeft Zahra geen geld om basisbenodigdheden te kopen voor haar kinderen. Haar twee oudste kinderen vertrokken uit wanhoop.
Dagelijks leeft Zahra met onzekerheid. “Ik denk de hele tijd na over hoe ik kinderen in zo’n situatie moet opvoeden, wat ze moeten eten. Zo ziet mijn dag eruit, alleen maar met die gedachten.”
Toch blijft ze hopen. “Ik hoop dat de situatie in Soedan verbetert en dat de internationale gemeenschap ons helpt. We willen terug naar huis.”