Directeur Stichting Vluchteling was in Libanon

De situatie in Libanon verslechtert razendsnel. In twee weken tijd zijn naar schatting ruim 1,2 miljoen mensen op de vlucht geslagen. Onze directeur, Benoit De Gryse, was in Beiroet om met eigen ogen te zien wat er nodig is en om te spreken met ontheemden, hulpverleners en lokale partners.

Een gevluchte familie slaapt op straat in Beiroet nadat ze hun huis hebben moeten verlaten
© dpa

Massale ontheemding en tekort aan opvang

Libanezen slaan massaal op de vlucht en opvangcapaciteit schiet ernstig tekort. Slechts een fractie van de ontheemden kan terecht in opvanglocaties, vertelt Benoit De Gryse vlak voor vertrek aan het ANP: “In twee weken is 20% van de bevolking ontheemd. Wat doet dat met een land? Van de 1,2 miljoen ontheemden is er plek voor maar 133.000 mensen in opvangcentra. Eén op de tien slaapt op straat.”

Twee Libanese medewerkers van Stichting Vluchteling werken in Libanon samen met vier lokale hulporganisaties. Voor hen betekent het dat zij hun werk moeten doen onder steeds moeilijkere omstandigheden. Vanuit Beiroet vraagt Benoit aandacht voor de menselijke gevolgen van het geweld. Want die zijn enorm, vertelde hij al bij het NOS Radio 1 Journaal.

Reisverslag van dag tot dag

Onze directeur bezoekt onze noodhulpprojecten in Libanon. Ter plaatse spreekt hij met hulpverleners en mensen op de vlucht over de situatie en de impact van onze hulp. Hij vertelt erover in zijn reisverslag.

“Het is hier schizofreen,” vertelt Marcel vanuit Beiroet aan de telefoon. Je hoort constant drones zoemen en je hoort en ziet raketten vliegen. Maar als je in de ‘veilige’ wijk bent, zoals de christelijke wijken, dan is het risico zeer beperkt.

We nemen het mee in de afweging of deze reis te verantwoorden is. De doelstelling voor meer aandacht voor de mens achter het geopolitieke verhaal is een terechte. Op vrijdag stelde NPO1 de vraag of het ongemakkelijk voelt dat mensen zich vooral druk maken over stijgende energieprijzen. Dat gevoel was er zeker. We mogen de zorgen van hen die ook in Nederland al moeite hebben om rond te komen niet bagatelliseren, ook al is de stijging van prijzen nu nog miniem, ook die zorgen zijn reëel.

Wat ons nog meer zou moeten verontrusten, is de trend dat ‘macht boven recht’ lijkt te bestaan. Zonder wettelijk kader wordt een land aangevallen (Iran), terwijl internationaal recht en humanitair recht, samen met diplomatie, naar de zijlijn worden verbannen.

We zouden ons collectief zorgen moeten maken over deze ontwikkeling, al was het maar uit eigenbelang. Nu sommigen vrezen dat Europa in een oorlog terecht kan komen, is het cruciaal dat internationaal recht en oorlogsrecht ons ook in zo’n scenario blijven beschermen. Daarnaast is het nu belangrijker dan ooit dat internationaal humanitair recht blijft bijdragen aan de bescherming van humanitaire organisaties en hun personeel, dat burgers geen doelwit zijn, en dat levensreddende hulp mensen op de vlucht, zoals in Libanon, kan blijven bereiken.

Dit jaar ben ik al in Tsjaad en Oekraïne geweest, en daarvoor in een heleboel landen die in conflict zijn, maar ik merk dat deze reis bij familie en vrienden anders valt. Naar een hoofdstad gaan die regelmatig gebombardeerd wordt, voelt anders. In Beirut kan je trouwens niet echt spreken van een klassiek conflict, er wordt eenzijdig gebombardeerd.

Het echte conflict speelt zich vooral in het zuiden van Libanon af, waar een evacuatiebevel geldt tot aan de Zahrani-rivier. Dat is grofweg 20% van het land. In dit gebied vechten Hezbollah en het IDF, maar informatie is schaars.

De cijfers liegen er niet om, in ongeveer twee weken zijn ruim 1,2 miljoen mensen ontheemd, ongeveer 20% van de Libanese bevolking van 5,3 miljoen. Voor Nederland zou dat neerkomen op 3,4 miljoen mensen die hun huis zouden moeten verlaten.

De ontheemden komen vooral uit het zuiden, maar ook uit getroffen wijken in Beiroet en Mount Libanon. Er zijn ongeveer 133.000 opvangplekken beschikbaar, vaak scholen of tentenkampen. Die laatste zijn kwetsbaar voor regen en wind; de afgelopen dagen was er storm. Op basis van deze cijfers zouden er dus 900.000 mensen bij vrienden en familie overnachten, of in scholen en leegstaande gebouwen of op straat slapen.

In de vroege avond vertrek ik vanaf Schiphol via Parijs naar Beiroet. Voor vertrek spreek ik met het ANP, waarbij ik de schrijnende cijfers en de omvang van de humanitaire crisis toelicht, voordat ik ter plaatse met eigen ogen ga zien wat er nodig is.

Vandaag bezoek ik een noodopvang in een schoolgebouw in Sabra, in Beiroet. Het is mijn eerste echte confrontatie met wat deze oorlog betekent voor mensen hier.

Tijdens ons bezoek zien we hoe de opvang wordt georganiseerd en maken we kennis met de bijbehorende gaarkeukens van onze partner, de Ahlam Lajea Association, die zorgen voor maaltijden voor de gezinnen die hier tijdelijk verblijven.

Van buiten lijkt het nog bijna gewoon. De stad leeft, het verkeer rijdt, en vanochtend waren er geen luchtaanvallen. Maar dat beeld kantelt zodra je binnenstapt. In de opvang is het donker, geen elektriciteit. In de gangen hangen mensen rond, wachtend. Te weinig water, te weinig voedsel, en zorgen die overal voelbaar zijn.

Een vrouw sprak me aan over het gebrek aan medicatie voor haar hoge bloeddruk. Ze vertelde hoe de eerste bommen om 2 uur ’s nachts haar dorp ten zuiden van Nabatieh raakten, hoe ze wachtten op zonsopgang om te vluchten, hun papieren meenamen zoals vele anderen, maar in de haast hun medicijnen vergaten.

Wat me raakt, is niet alleen wat ik zie, maar ook wat ik níet zie. Crisis na crisis na crisis heeft dit land verzwakt. De financiële crisis van 2019, de explosie in de haven van Beiroet in 2020, jaren van instabiliteit en escalatie, en nu dit. Onze partners werken hier onder omstandigheden die bijna niet te bevatten zijn. Ze gaan door, dag en nacht, gedreven door een enorm verantwoordelijkheids-gevoel. Maar ook zij raken moe.

Wat steeds terugkomt in mijn gesprekken, is angst. Angst voor wat nog komt. Hoelang gaat dit duren? Kunnen mensen ooit terug? En wat blijft er over als het stopt? Wat ik mensen hier steeds hoor zeggen, is dat ze niet meer weten waar ze veilig zijn. De drones, de raketten, het dreigt constant en het wordt bijna normaal, maar het breekt je langzaam op. Mensen voelen geen hoop meer.
Boven alles klinkt één verlangen: dat dit stopt.

Terug in mijn kamer vanavond blijft één beeld hangen: de schooldirectrice die ik vandaag ontmoette. Safa Fahat, een sterke, no-nonsense vrouw die haar school helpt omvormen tot opvanglocatie.

In heel Libanon zijn inmiddels zo’n 320 scholen ingericht als opvangcentra; naar verwachting stijgt dat aantal naar 380. Dat dit zo snel kan, is geen toeval. Veel Libanezen zagen deze escalatie aankomen. In de afgelopen jaren is daarom geïnvesteerd in samenwerking tussen overheid, lokale bestuurders en hulporganisaties.

Het proces begint bij het ministerie van Onderwijs, dat bepaalt welke scholen openen als opvanglocatie. Daarna neemt het ministerie van Sociale Zaken de coördinatie over, samen met de schooldirectie. De eerste stap is altijd dezelfde: begrijpen wie er aankomt. Waar komen mensen vandaan? Hoeveel gezinnen, hoeveel kinderen? Zijn er mensen met een beperking of medische noden? Staan ze in de nationale database, inmiddels goed voor bijna 136.000 geregistreerde ontheemden? En wat hebben ze nog bij zich?

Tegelijk wordt de school zelf beoordeeld: is er water, elektriciteit, voldoende sanitair? Is er ruimte voor privacy? Al snel worden ook burgemeesters, politie, ziekenhuizen en hulporganisaties ingeschakeld. Veel ngo’s hebben noodvoorraden klaarstaan: matrassen, dekens, hygiënepakketten.

Wat níét klaarstaat, zijn de financiële middelen. In 2024 was er geld, maar liep de coördinatie stroef. Nu is het omgekeerd: de samenwerking werkt, maar middelen ontbreken. Bezuinigingen en opeengestapelde wereldwijde crises laten hun sporen na.

Vandaag bezochten we opvangcentrum nummer 351 in Wardaniyeh, op een uur van Beiroet. De school daar werd al op de eerste dag van de escalatie opnieuw ingericht als opvanglocatie. Ook in 2024 ving deze school mensen op, waardoor iedereen wist wat er moest gebeuren.

Onze partner ondersteunt bij het herstellen van de school: ramen en waterleidingen worden vervangen en grote ruimtes opgedeeld met houten wanden, zodat er meer gezinnen kunnen verblijven. En omdat iedereen zijn was met de hand doet, wordt zelfs gekeken naar de aanschaf van een wasmachine — een klein detail dat het dagelijks leven net iets draaglijker maakt.

Wat me het meeste raakte vandaag
Wat me in Wardaniyeh misschien nog wel het meest raakte, was de houding van de burgemeester en de schooldirectrice. Ik merkte hoe mijn blik automatisch ging naar de cijfers: naast de mensen in de school worden er nog duizenden opgevangen door dorpsbewoners zelf. Of in onafgebouwde huizen, of bij vrienden en familie. Voor een dorp met maar een paar duizend inwoners voelt dat als een enorme druk.

Maar toen ik met hen sprak, verdween die rekensom eigenlijk meteen naar de achtergrond. Zij kijken er totaal anders naar. Geen woorden over last of risico, geen twijfel. Alleen een vanzelfsprekende bereidheid om te helpen.

“Mensen opvangen is wat hoort,” zei de directrice tegen me. Bijna verbaasd dat ik ernaar vroeg.

Diezelfde solidariteit zagen we gisteren in Sabra, een van de armste wijken van Beirut, waar mensen spontaan spullen naar de opvanglocatie brachten. Het weinige dat men heeft, wordt gedeeld.

Maar onder deze golf van solidariteit schuilt een belangrijke vraag: is de verbondenheid tussen mensen sterk genoeg om stand te houden tegen de polarisatie die langzaam op gang komt?

Politici beginnen zich te profileren door zich af te zetten tegen de ‘ander’. In een land met zoveel religieuze groepen, en met een geschiedenis van burgeroorlog, kan dat snel escaleren. De afgelopen jaren bestond er een vorm van vreedzaam samenleven — geen echte integratie, maar wel een werkbare tolerantie. Dat fragiele evenwicht staat nu opnieuw onder druk.

Vandaag zag ik hoe verbondenheid tegelijk sterk en kwetsbaar is. Ze leeft in kleine daden, in mensen die bijna niets hebben, en verdient bescherming, net als de families die nu een school hun thuis noemen.

“Nergens zijn we veilig.” Als er één zin is die we vandaag het vaakst hebben gehoord, dan is het deze. Mensen uit Beirut en het zuiden leven met de voortdurende wetenschap dat elk gebouw, elke wijk, elke straat op elk moment geraakt kan worden. Het is een spanning die in lichamen kruipt.

Bij Embrace (onze partner die de hotline bemant, psychosociale steun biedt in opvangcentra en mobiele psychologen inzet) stonden de collega’s zichtbaar strak. Strak van de alertheid, en van wat ik meen te herkennen als naderende uitputting. Ze werken nu al drie weken bijna onafgebroken. Velen van hen zijn zelf ontheemd, of hebben familie die op de vlucht is.

Gisternacht was er een zware explosie in Bachoura, een wijk in het centrum van de stad, op enkele straten van hun kantoor. Om drie uur ’s nachts kwam een evacuatiebevel, om vijf uur volgde een inslag die een woonblok trof. Collega’s van Embrace zaten met hun families samengepakt in het kantoor, dat tijdelijk een schuilplek werd. De grens tussen werk en privé is verdwenen. Wanneer ik hen vraag hoe ze zelf zorgen voor hun mentale gezondheid, reageren ze bijna verontschuldigend. Het voelt voor hen ongepast om aan zichzelf te denken terwijl het leven van anderhalf miljoen mensen letterlijk en figuurlijk instort.

Maar ook dáárvoor ben ik hier: om te kijken hoe we juist deze hulpverleners kunnen ondersteunen. Want als zij omvallen, valt een hele keten mee. Hoelang deze escalatie duurt weet niemand, maar zelfs als het geweld stopt, zal de nood aan steun nog lang aanhouden.

Er is ook woede. Veel woede.

Woede omdat in de internationale berichtgeving nog steeds gesproken wordt over “een oorlog tegen Hezbollah”, terwijl hier de realiteit van frequente aanvallen op burgerdoelwitten overheerst. Intussen zijn al 28 ziekenhuizen, medische centra en ambulances geraakt, waarbij 30 hulpverleners en medisch personeel zijn gedood. Woede omdat opnieuw oorlogsrecht geschonden wordt, omdat proportionaliteit zoek is, omdat er opnieuw fosforbommen worden gebruikt.

Dinsdagnacht kreeg Tyrus een evacuatiebevel. De beelden van eindeloze colonnes auto’s blijven binnenkomen. De stad telt 200.000 inwoners, maar herbergt ook vier Palestijnse vluchtelingenkampen. Zo’n 80.000 vluchtelingen hebben vrijwel geen kans op opvang elders. In principe heeft iedereen toegang tot opvanglocaties, maar in realiteit zitten de centra in het zuiden en Beirut vol. Syrische en Palestijnse vluchtelingen worden bovendien vaak de toegang geweigerd. Dat we vanavond zagen dat het tentenkamp aan zee in Beirut sterk was gegroeid, is een rechtstreeks gevolg van dit evacuatiebevel.

Die groei is ook het gevolg van bezuinigingen. Internationale steun is minimaal. Bij Embrace kregen ze dit jaar slechts tien procent van de middelen die ze in 2024 ontvingen, toen deze oorlog begon. De internationale reactie blijft steken in woorden en beperkte financiële toezeggingen — en de frustratie in Libanon zal hierdoor alleen maar toenemen.

Tussen de schuilende families, de uitgeputte hulpverleners en de groeiende tentenkampen voel je iets dat verder gaat dan angst: een mengeling van moed en machteloosheid. Het is de vraag hoe lang een samenleving dit kan dragen, hoe lang sociale cohesie standhoudt wanneer zoveel mensen tegelijk op de rand leven. Toch zie ik hier elke dag weer hoe mensen elkaar blijven ondersteunen — en tegelijkertijd hoe dun het koord is waarop ze balanceren.

Waar de hele week al voor werd gevreesd, gebeurde gisteravond. Donkere onweerswolken trokken vanaf de zee het tentenkamp binnen. Overal om ons heen probeerden mensen hun onderkomens nog enigszins bestand te maken tegen de storm. Tenten werden op houten pallets gezet, zeilen strakgetrokken en met stenen verzwaard.

Niemand weet of het genoeg zal zijn.
Eerlijk gezegd: ik betwijfel het.

Sinds woensdag is het kamp verder gegroeid. Er kwamen families bij uit Tyrus en uit Dahieh, de zwaar getroffen wijk in Beiroet. Het zijn de mensen die nergens anders meer terechtkunnen. Geen familie, geen netwerk, geen geld. Zij eindigen hier.

En buiten het kamp wordt de situatie er niet beter op. Huurprijzen zijn in korte tijd verdubbeld of zelfs verdrievoudigd, vaak met maanden vooruitbetaling. Zonder schaamte wordt er verdiend aan wanhoop.

Tegelijk zien we ook iets anders: waar in 2023 nog veel werd gegeven, lijkt de bereidheid onder de meer welgestelden nu kleiner. Terwijl hulporganisaties juist nu het geld missen om in de meest basale behoeften te voorzien.

De realiteit is hard. Veel mensen die nu nog huren, hebben geen inkomen meer. Dat houden ze niet lang vol. En hoe lang kunnen families anderen blijven opvangen? Hoe lang blijven scholen open als opvanglocaties? Want zolang scholen dicht zijn, missen kinderen onderwijs. En dat doen ze in veel gevallen al sinds 2019, versterkt door corona en eerdere crises.

Als je daar de trauma’s van conflict bij optelt, wordt één ding pijnlijk duidelijk: kinderen betalen opnieuw de hoogste prijs.

Vandaag hebben de meeste van de 1,3 miljoen ontheemden geen enkel uitzicht op een langdurige oplossing. En steeds vaker hoor ik dezelfde vrees: dat dit nog weleens lang kan gaan duren. En dat terugkeren voor velen geen optie meer zal zijn.

De nacht was kort. Als je om vijf uur moet opstaan voor een vroege vlucht, blijft je hoofd je influisteren dat je de wekker niet zult horen. Echt slapen lukt dan niet.

Buiten regende het nog steeds. Mijn gedachten gingen meteen naar het tentenkamp. Zij hebben vannacht ook niet geslapen. Maar zij kunnen niet weg. Voor sommigen is de enige ‘keuze’: een koude, natte nacht in een tent of terugkeren naar hun huis in Dachie, in Beiroet, waar elk moment een raket kan inslaan. Maar dat is natuurlijk geen keuze.

Ik begon deze reis met woorden die bleven hangen: “Het is hier schizofreen.” En dat voel je, zeker in Beiroet. De contrasten zijn groot. Het leven gaat door omdat dat de enige manier is om te blijven leven. Oorlog legt het dagelijks leven niet stil; dat zag ik eerder al in Odesa. Maar het maakt alles breekbaar. Ik vraag me steeds vaker af: hoeveel kan een mens verdragen? En hoeveel kan een land dragen?

Wat we zien, maar vooral wat we níét zien, speelt daarin mee. Beelden uit Dachie, uit het zuiden en het oosten van het land bereiken ons nauwelijks. Het is er te onveilig voor hulpverleners en journalisten. Juist daar is de impact het grootst. De paar beelden die wel doorkomen, laten weinig aan de verbeelding over: verwoesting. Wijken die systematisch onleefbaar zijn gemaakt. En opnieuw zijn het burgers die de prijs betalen voor een oorlog die ze nooit hebben gekozen.

In deze fase gaat alle aandacht terecht naar noodhulp. Maar de vraag die zich al opdringt, is wat hierna komt. Waar moeten mensen heen? Wat is nog veilig? Is er ruimte om te herstellen, om trauma’s te verwerken, om opnieuw te beginnen? En is er geld om dat mogelijk te maken?

De vooruitzichten zijn somber.

Ik denk aan Ali en zijn gezin, die ik woensdag sprak. Hij vluchtte in 2023 uit het diepe zuiden, vlak bij de zogenoemde Blue Line, de door de VN vastgestelde grens tussen Israël en Libanon. Bombardementen veegden alles weg: zijn huis, zijn land, zijn olijfbomen, zijn verleden. Sindsdien leeft hij van tijdelijke plek naar tijdelijke plek. Altijd onderweg. Nooit ergens écht.

Ik vraag me af hoeveel mensen bij een volgend bezoek hetzelfde verhaal zullen vertellen. Verhalen van verlies, van families die uiteenvallen, van levens die steeds verder uit elkaar drijven.

De hulp stopt niet wanneer de wapens zwijgen. Maar vandaag is het alle hens aan dek om te voorzien in de meest basale noden. Terwijl duizenden mensen hier solidair zijn met de ontheemden, blijft één hoop overeind: dat de internationale druk toeneemt, en dat de wapens sneller zwijgen dan iedereen hier vreest.

Hulp opgeschaald

Onze hulp in Libanon is snel uitgebreid om te kunnen voldoen aan de enorme noden. Onze lokale partners delen warme maaltijden en noodpakketten uit en leveren essentiële hulpgoederen aan opvanglocaties. Hulpverleners werken dag en nacht door om zoveel mogelijk mensen te bereiken.

Met steun van de Dutch Relief Alliance ontvangen bijna 1.000 gezinnen een eenmalige bijdrage van 125 euro voor basisbehoeften. Daarnaast zijn er mobiele medische teams, psychosociale hulp en speciale zorg voor zwangere vrouwen en baby’s.

In twee weken tijd is ongeveer 20% van de Libanese bevolking ontheemd. Voor Nederland zou dat neerkomen op 3,4 miljoen mensen die hun huis zouden moeten verlaten.

portretfoto Benoit De Gryse Benoit De Gryse, directeur Stichting Vluchteling

Geef voor Libanon

Honderdduizenden Libanezen zijn massaal op de vlucht geslagen voor luchtaanvallen. Wij zijn ter plaatse en bieden direct noodhulp. Help jij mee?


Stichting Vluchteling
English
sluit