18-06-2021

Tineke Ceelen: "Miljoenen, 86% van alle vluchtelingen vinden daar, in Kenia, Libanon of Turkije, een heenkomen, maar geen toekomst."

Tineke Ceelen verwondert zich over het gebrek aan draagvlak voor hulp aan vluchtelingen. Stichting Vluchteling onderzocht de houding van Nederlanders t.a.v. vluchtelingen. Hierover schrijft ze in haar column. Op Wereldvluchtelingendag (20 juni) doet ze een klemmende oproep om niet weg te kijken van mensen in nood.

Er zijn twee verhalen die ik vaak vertel. Toch slijten ze niet. Nog altijd krijg ik hartzeer bij de herinneringen. Het zijn kleine verhalen, zonder bloed of wreedheid, zonder veel kabaal of ophef. En toch zijn ze ongelofelijk pijnlijk.


Beide verhalen komen uit Kenia, dat is toeval, ze konden overal vandaan komen.


Hij droeg een driedelig lichtblauw pak, de man die rustig keuvelend bij me kwam staan, in Kakuma kamp. Het had iets potsierlijks.


Het was snikheet. De man vertelde dat hij met zijn zoon uit Burundi kwam. Dat hij de rest van zijn gezin onderweg kwijtgeraakt was. Hij wees met zijn lichtblauwe arm naar een jongetje dat op een matje lag. Er was duidelijk iets niet goed. Het kind had hoge koorts en was heel ziek. “Leg even een nat lapje op zijn voorhoofd”, commandeerde ik de vader, “dan koelt ie misschien een beetje af”. De man keek me vragend aan. “Ik heb geen nat lapje mevrouw”, antwoordde hij nauwelijks hoorbaar. “Ik heb alleen dit”, en hij wees op zijn lichtblauwe kostuum.


“Je moet met je kind naar het ziekenhuis”, vervolgde ik dwingend. De man vertelde dat hij naar het ziekenhuis gegaan was, die ochtend, met het kind op zijn rug. Er waren heel veel wachtenden voor hen. Toen ze bijna aan de beurt waren was het ook zo’n beetje tijd voor de wekelijkse distributie van voedsel. Als ze die zouden missen zouden ze een week niet te eten hebben. En dus sjorde hij de jongen weer op zijn rug en liep zo snel hij kon, in de hitte, terug naar het kamp, waar ze net te laat aankwamen om hun eten voor de nieuwe week in ontvangst te nemen.


Het andere verhaal, waar ik ineens, als ik eraan denk, spontaan van kan huilen, komt uit hetzelfde kamp, op een heel ander moment, in een ander jaar.


Ik sprak met een net aangekomen gezin. Het was snikheet, de kraakheldere witte tenten stonden op een kaal stuk grond. Het barstte van de schorpioenen en slangen, vertelde de moeder. Ik sprak met handen en voeten met haar, er was geen tolk. Een man stapte uit de toegestroomde menigte en hielp ons. Hij bleek een hele serie lokale talen en ook nog Frans en Engels te spreken. Zelf woonde hij al jaren in het kamp, met zijn tienerzoon. Ze vertaalden een tijdje en toen ineens waren ze er niet meer. Uit mijn ooghoek zag ik hen weglopen. De vader met zijn arm over de schouders van zijn zoon. Ik rende hen achterna om hem te bedanken voor zijn diensten. Hij draaide zich om, keek me indringend aan en zei: “we konden net zo goed dood zijn, mijn zoon en ik”. Hij pakte de hand van zijn kind en liep door, zonder ook nog maar één keer om te kijken.


Dit is opvang in de regio. Miljoenen, 86% van alle vluchtelingen vinden daar, in Kenia, Libanon of Turkije, een heenkomen, maar geen toekomst. Lees de verhaaltjes nog eens, laat de tragedies binnenkomen.


Dáárom kiezen vluchtelingen ervoor om door te reizen en hun geluk te beproeven in het westen.


20 juni is het Wereldvluchtelingendag. Eén dag waarop we stilstaan bij 82,4 miljoen mannen in lichtblauwe pakken, of zonen zonder perspectief. Dat lijkt me toch niks te veel gevraagd.


Tineke Ceelen, directeur Stichting Vluchteling.