In een zelf gegraven gat in de grond, bang door kogels of bommen geraakt te worden, wachtten zij af

Irak, maandag 18 maart 2019

De broertjes Dilbar van 9 en Dildar (je verzint het niet) van 14, zien er veel jonger uit dan ze in werkelijkheid zijn. In augustus 2014 werden zij samen met hun ouders, twee zusjes en nóg een broertje, meegenomen door de extremisten van de Islamitische Staat uit hun dorp Kocho.

Dildar voert het woord, terwijl hij zijn magere beentjes wild heen en weer zwaait onder zijn stoel en rusteloos met zijn vingers trommelt. De tiener vertelt hoe de jongetjes van hun ouders gescheiden werden: ‘It was very, very hard’. Ik zie hem slikken bij de herinnering aan dit gruwelijke moment. Dilbar was 5, toen dit gebeurde. De broertjes zagen hun ouders, beide zusjes, en derde broertje, nooit meer.

Een groep van zo’n 25 Yezidi jongens ging van de ene naar de andere plek in Irak en Syrië. Ze moesten voor zichzelf zorgen. Wassen, koken, schoonmaken, de Koran bestuderen, Arabisch leren. ‘Als we niet goed genoeg geleerd hadden sloegen ze ons met een stuk tuinslang’, vertelt Dildar met gebogen hoofd. ‘Ze behandelden ons niet goed’, voegt hij met gevoel voor understatement toe. De IS strijders die verantwoordelijk voor de jongens hielden hen regelmatig voor dat zij getraind zouden worden om voor de Islamitische Staat ‘ongelovigen te doden’.

Eén keer per dag kregen de jongens linzen te eten, sinds augustus 2014. En soms ook helemaal niets. Door het gebrek aan hygiene kreeg Dilbar, de jongste, leishmaniasis. Zijn voorhoofd en wang zijn getekend door diepe littekens van de wonden die de parasiet veroorzaakte. Dilbar geeuwt, zoals hij het hele gesprek door zal doen, alsof hij dood- en doodmoe is.

Uiteindelijk kwamen de broertjes in Baghuz terecht, het laatste IS bolwerk. Daar werden de jongens uiteindelijk alleen gelaten. In een zelf gegraven gat in de grond, bang door kogels of bommen geraakt te worden, wachtten zij af. In de kou, de regen, zonder dekens, droge kleding of eten. Twee weken geleden zagen Dildar en Dilbar hun kans schoon, met een groep burgers liepen ze Baghuz uit. Tien dagen later werden de jongens herenigd met hun oom die zichtbaar nog altijd niet kan geloven dat zijn neefjes nog leven en weer thuis zijn.

Ik vraag of ik een foto mag maken. Dildar gaat naast zijn oom zitten en kijkt serieus, met het gezicht als van een oude doorleefde man in de camera. Dilbar daarentegen duikt in elkaar, knijpt zijn ogen stevig dicht en trilt oncontroleerbaar. Bang, doodsbang. Ik schrik, leg de camera weg en praat samen met zijn oom zachtjes met het jongetje. We zijn blij dat hij weer thuis is, doen hem geen kwaad, houden van hem. Ik laat hem de foto van zijn grotere broer zien. Het ijs breekt, Dilbar grijnst van oor tot oor en wil nu tóch ook een eigen foto.

HELP DE SYRISCHE VLUCHTELINGEN

 ‘De humanitaire principes zijn duidelijk: wij moeten alle vluchtelingen helpen, wie het ook zijn, wat ze ook vinden. Help jij ook mee?