NvdV901x228pxls2012_1.jpg http://www.nachtvandevluchteling.nl
Steun ons!
Aanmelden nieuwsbrief

 

Nationale postcode loterij CBF ANBI
« Terug

10-05-2011

Femke Halsema: Reis vol emotie

Femke Halsema: Reis vol emotie

"Een week lang heb ik bewogen tussen verwondering, schok en bewondering".
Femke Halsema bezocht begin mei op uitnodiging van Stichting Vluchteling het grensgebied van Liberia en Ivoorkust. Ze schrijft een aangrijpend persoonlijk verslag van de reis.



Dit verslag verscheen op dinsdag 10 mei ook in De Volkskrant.

Door Femke Halsema

Haar naam is Lidy. Ze draagt een synthetisch, sexy jurkje dat wellicht een paar modegeneraties geleden is aangeschaft door een even oud meisje bij een Europees H&M-filiaal. Ze lijkt ergens achter in de 20, als ze voor me gaat zitten op een matje in een vluchtelingenkamp in het noorden van Liberia. Ze is schuchter, haar toon is monotoon. Ze is komen lopen, zegt ze, de grens over, uit haar dorp in het noordwesten van Ivoorkust - 50 kilometer misschien, of 100. Het was vroeg in de ochtend, ze was thuis toen de rebellen binnenvielen. Ze grepen haar vader en vermoordden hem voor haar ogen. Of ze haar ook pijn hebben gedaan, vraag ik. Ze mompelt iets over in de rug duwen. Door haar Ivoriaanse Frans, en mijn heel gebrekkige kennis ervan, begrijp ik niet goed wat ze bedoelt. Ik durf niet aan te dringen. Als ik aanstalten maak om op te staan en haar bedank, kijkt ze me voor het eerst aan. Ze huilt, ik zie dan pas hoe jong ze is. Ze is 17 en alleen op de vlucht.

Een paar maanden eerder belde ik Tineke Ceelen van Stichting Vluchteling. Op Twitter volgde ik hoe ze afreisde naar Tunesië, om daar de situatie op te nemen van de Libische vluchtelingen die over de grens schuilen voor het geweld. 'Onze hulp daar is niet nodig', was haar montere oordeel bij terugkomst.' Met haar rechttoe-rechtaan-opvattingen maakt ze zich niet bij iedereen even geliefd, zeker niet altijd bij andere hulporganisaties. Ik vind het vertrouwenwekkend.

Of ik haar kon helpen, was mijn vraag. Het opbouwen van een nieuw werkend bestaan bracht mij namelijk al weken van koffieafspraak naar lunch en van headhunter naar bestuurder. Naarmate de greep op mijn toekomst zich verstevigde, raakte ik verzadigd van alle vriendelijke, maar vaak ook op niets uitlopende gesprekken. Er was, zo besloot ik, in deze maanden van mezelf opgelegde retraite ook wel enig profijt te trekken van mijn (nog) bekende hoofd en publieke aandacht te vragen voor ellende elders. De afspraak met Tineke Ceelen was snel gemaakt. In Ivoorkust en Liberia was het 'heul argh', zei ze in onvervalst Brabants, en niemand had er werkelijk belangstelling voor.

Tja, Ivoorkust en Liberia.

Dat was niet helemaal wat ik - zonder noemenswaardige ervaring in oorlogsgebied - in gedachten had. Ik wist niet meer van Ivoorkust dan de gemiddelde, geïnformeerde krantenlezer: de strijd tussen de zittende president Gbagbo en zijn tegenstrever Ouattara, die na de democratische verkiezingen van eind 2010 was ontaard in een bloedige burgeroorlog. Ik wist van de 'onzichtbaren', milities die moordpartijen in de dorpen in het noorden aanrichtten, van de achterliggende etnische en religieuze conflicten tussen het noorden en het zuiden en van de grote stroom vluchtelingen en ontheemden (naar schatting 1 miljoen). Liberia was voor mij synoniem met decennia durende massale slachtingen, met de oorlogsmisdadiger Charles Taylor en met generaal 'Butt-Naked' die, naar verluidt, graag een onschuldig kind nuttigde voordat hij met zijn kindsoldaten ten strijde trok.

Bovendien was ik, zoals veel 'westerlingen', ten prooi gevallen aan cynisme over de aanhoudende oorlog en genocide in grote delen van Afrika: even wreed als hopeloos en uitzichtloos.

Maar wie a zegt moet ook b zeggen.


Foto: vluchtelingenopvang grens Liberia en Ivoorkust

We hebben zes dagen gereisd. Vanaf Monrovia, de hoofdstad van Liberia, over onverharde, modderige wegen naar de boerendorpen in het noorden. Daar zijn we de grens over getrokken naar de noordwestelijke provincie Man in Ivoorkust. Ondanks de roadblocks, bevolkt door slechte Tupac Shakur-imitaties met kalasjnikovs, ontmoetten wij geen geweld. Het was wel overal om ons heen: in de platgebrande dorpen, de massagraven, de waterputten waarin lijken zijn gegooid en in de vele, vele opeengepakte vluchtelingen.

Een week lang heb ik bewogen tussen verwondering, schok en bewondering. Verwondering om de talloze borden van ontwikkelingsorganisaties waarmee het Liberiaanse oerwoud is behangen: 'Stop gender based violence', 'Boys also like to do the dishes' (sic.), 'No child is born to die'. Het softe en zinloze moralisme steekt schril af tegen de kleinschaligheid en de gebrekkige organisatie van de internationale noodhulp, bij afwezigheid ook van werkelijke internationale belangstelling. Terwijl het regenseizoen op uitbreken staat en de wegen naar het noorden van Liberia - waar zo'n 30 duizend vluchtelingen verkommeren - onbegaanbaar worden, wordt er gepraat over bruggen en wacht men al weken op vrachtwagens en jeeps voor de distributie.

Maar de schok overheerste. Om het patroon van geweld, waarbij mannen van vrouwen worden gescheiden, de mannen worden vermoord en de vrouwen en meisjes verkracht. Om de met lijken vergiftigde waterputten, waardoor de overlevers geen toegang hebben tot het schaarse drinkwater. Om de stank van angst, in overvolle kampen waar schoon water, medische hulp en voedsel tekortschieten. Om de verhalen van vrouwen wier mannen voor hun ogen werden vermoord, die hun kinderen oppakten en renden.


Foto: Katholieke missie in Duekoué

Nergens was de schok zo groot als in het plaatsje Duekoué in Ivoorkust. Daar, op het terrein van de Katholieke Missie, ter grootte van een paar voetbalvelden, klonteren 27 duizend vluchtelingen samen in afschuwelijke omstandigheden. De latrines zijn vol en verstopt, infecties verspreiden zich razendsnel, de stank is verstikkend. Daar liep ik een kamertje in en zag ik op de vloer een naakte vrouw kermend en moederziel alleen bevallen.

Maar bewondering was er ook. Voor de vele praktisch ingestelde hulpverleners van Artsen zonder Grenzen en the International Rescue Committee (de zusterorganisatie van Stichting Vluchteling) die geen tijd hebben voor cynisme, die niet zeuren maar poetsen. Voor de Marokkaanse bevelhebber van het plaatselijke VN-regiment in Duekoué, die - ongeacht zijn mandaat - de eigen voorraden medicijnen en schoon drinkwater afleverde bij de katholieke missie. Die ook, met zijn soldaten eigenhandig de honderden doden begroef na de slachting in het nabijgelegen dorpje Carrefour.

Stomme verwondering en bewondering zijn er vooral over de levenswil van al die slachtoffers. Van de mannen die ons rondleiden door hun tot op de grond afgebrande dorp, en al kibbelend plannen maken voor de wederopbouw ervan. Voor de vrouwen die bij je bedelen om zeep en je flesje drinkwater omdat ze dondersgoed weten dat vuil en ziekten de aartsvijanden van hun kinderen zijn.

Ik realiseer me heel goed dat elk voorbeeld dat ik geef bekend is van andere crises, andere oorlogen. Dat een tranentrekkend verhaal geen verschil maakt voor de situatie van oorlogsslachtoffers en vluchtelingen daar. Een reis van zes dagen geeft niet meer dan een snapshot van een ingewikkeld conflict, en de dikwijls hopeloos ogende omstandigheden waarin veel vluchtelingen verkeren.

Maar uiteindelijk is het eenvoudig. De uitzichtloosheid van een conflict kan mij tijdelijk een alibi verschaffen om weg te kijken. De slachtoffers in Ivoorkust hebben aandacht en hulp nodig. Cynisme is een slecht excuus.


Word donateur of doe een gift en steun daarmee het werk van Stichting Vluchteling.

« Terug