21-06-2011
Ad Melkert, VN Speciale Vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal voor Irak, sprak dinsdag 21 juni de Van Heuven Goedhart-lezing uit. Dit gebeurde ter gelegenheid van Wereld Vluchtelingendag, in de Ridderzaal in Den Haag. Melkert hield een betoog met als titel "Solidariteit is onze Identiteit".
Op deze pagina vindt u de volledige tekst van de Lezing.
Ad Melkert,
VN Speciale Vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal voor Irak
Mijn werkterrein dezer dagen is waar eens de Hof van Eden bloeide. Het behoeft geen betoog dat dit niet het eerste beeld is dat opkomt bij Iraki’s in hun dagelijkse strijd op de weg terug naar normaliteit. Er zijn weliswaar positieve ontwikkelingen waarvan ik getuige mag zijn. Zo is in de lange geschiedenis van Mesopotamië de introductie van democratie en mensenrechten als aspiratie zonder precedent. Met belangrijke stappen vooruit en met terugslagen blijven de uitdagingen enorm. Hoe dan ook: de geest is uit de fles. Toch zijn de dagelijkse zorgen andere: hoe uit de buurt te blijven van gemiddeld vijfentwintig aanslagen per dag; hoe alle jongens èn meisjes naar een behoorlijke school te krijgen; voldoende electriciteit te leveren bij vijftig graden zomerhitte; en vluchtelingen en ontheemden onderdak en perspectief te bezorgen. Eden is nog ver weg. Echter de belofte van het paradijs, ooit, is de drijfveer voor organisaties en personen om stap voor stap te helpen orde en gerechtigheid terug te brengen waar chaos en terreur heersten. De drijfveer ook om wereldwijd jaarlijks op Wereldvluchtelingendag de stand op te maken van de vrees voor vervolging en de hoop op solidariteit in de strijd tegen onrecht. En de beweging te versterken die de wereld niet aanvaardt zoals ze is maar ent op de beginselen waartoe de wereldgemeenschap zich heeft verplicht, niet als dode letters maar als levende opdracht. Op weg naar Eden.
Ik kan u verzekeren dat de hel dichterbij is voor de ontheemden die ik een paar weken geleden bezocht in Al-Awasa in Bagdad’s Karkh district. Het kamp begon waar de weg ophield. Vijftienhonderd ontredderde mensen, al jaren op de vlucht voor sectarisch geweld of gewoon straatarm ongeregistreerd. Moddersmeren op muren en daken helpt tegen de blakend hitte, maar niet tegen de regen. Medische zorg is ver weg. De regering heeft jarenlang de andere kant op gekeken, de VN heeft sinds kort toiletten en gezuiverd drinkwater in de aanbieding. We wanhopen niet in een land waarin door de invasie van 2003 veel is kapot gemaakt en herstel langzaam beklijft; en wanhopen niet in een land waarin iedereen goed zou kunnen leven als maar de opbrengsten van olie ook voor iedereen beschikbaar zouden zijn. We hopen.
In januari van dit jaar sprak ik samen met de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen Antonio Guterres met premier Maliki over de verantwoordelijkheid en de kans voor de regering om eindelijk de erfenis van drie decennia van conflict en bloedvergieten te boven te komen. De minister-president zelf verbleef lange tijd in ballingschap in Iran en Syrië net zoals vele politieke leiders, topambtenaren en ondernemers – in de eigen regio of in Amerika, Engeland, Zweden of Nederland om een een aantal belangrijke bestemmingen te noemen. Toch wisten we dat de terugkeer van vluchtelingen en de reïntegratie van ontheemden niet hoog op de agenda stonden. Deels begrijpelijk omdat er zoveel andere prioriteiten om voorrang strijden, veiligheid voorop. Deels echter ook omdat er politieke gevoeligheden zijn. Onze gezamenlijke boodschap was dat het negeren van de noodzaak en kans op verzoening nu een hoge prijs met zich kan meebrengen later. Een fenomeen dat zich helaas ook elders in de regio manifesteert. Het is het gevolg van een fundamenteel gebrek aan vertrouwen binnen samenlevingen waarin het enige spel dat lijkt te worden gespeeld “zero sum” is: met alleen winnaars of verliezers; en met een grote kans dat de winnaar van vandaag de verliezer van morgen is en andersom en zo verder in een vicieuze cirkel van wraak, onrecht en onderontwikkeling. Dat is de tragedie van de onvervulde belofte van het post-koloniale Noord-Afrika en Midden-Oosten. Irak zou die vicieuze cirkel kunnen doorbreken. We hadden een lange discussie met een premier die tientallen jaren letterlijk vanuit de woestijn had geopereerd tegen Saddam Hussein. Hoe snel en hoe ver kan verzoening de overhand krijgen? Met de toezegging dat de modelaanpak van UNHCR in de provincie Diyala zal worden nagevolgd en geleid door een speciale ministeriële commissie namen we afscheid. Gesterkt door de erkenning, onzeker over het vervolg.
Welkom in de wereld van de internationale rechtsorde.
Dit is de orde waaraan voor altijd de naam van Gerrit Jan van Heuven Goedhart verbonden is, de eerste Hoge Commissaris van de UNHCR, de VN organisatie die in 1954 en in 1981 de Nobelprijs kreeg toegekend. Sta me toe een moment stil te staan bij opmerkelijke karakteristieken die een persoonlijke noot raken. Hij was geboren in Bussum waar ik heb gewoond. Hij was minister (in Londen) en sociaal-democratisch volksvertegenwoordiger in de Eerste Kamer. Daarna stond hij aan het hoofd van een internationale organisatie waarvan we ons vandaag niet kunnen voorstellen dat we zonder zouden kunnen. En hij overleed in mijn geboortejaar, 1956. Werken voor de VN is als deelname aan één langdurige estafette zonder finish en ik voel daarom trots om in deze tijd het stokje te mogen vasthouden dat leiders van zijn statuur meedroegen in die eerste jaren. In dezelfde geest wil ik vandaag Max van der Stoel herdenken, internationalist par excellence, in menig opzicht inspirator en mentor.
Ik wil Stichting Vluchteling danken voor de mogelijkheid om vandaag in de Ridderzaal te mogen terugkeren en bij te dragen aan een belangrijke traditie die zozeer verbonden is met dit land en zijn bevolking. Die traditie is tot op de dag van vandaag erkend in de invloed van oudsher van De Republiek der Verenigde Nederlanden en haar rechtsopvolgers op het scheppen van een internationale rechtsorde temidden van machtsstrijd tussen staten en tussen heersers en onderdanen binnen staten. Een traditie die onder druk staat als gevolg van percepties van dreiging van globalisering en migratie. En dientengevolge vragen oproept over onze identiteit.
Over de stand van de internationale rechtsorde en onze eigen identiteit daarbinnen wil ik het vandaag hebben – samengevat in drie boodschappen van hoop en zorg.
De eerste is: het gezag van de Verenigde Naties neemt toe.
De tweede: de armen halen verhaal bij de rijken.
En de derde: nationalisme is zelfbedrog.
I Het gezag van de Verenigde Naties neemt toe
De geschiedenis van de VN die een nieuwe fase inging aan het einde van de koude oorlog rond 1989 is welbekend. Met grote inspanning, enig succes en dramatische mislukkingen is het aantal blauwe helmen en baretten in de wereld in snel tempo vermenigvuldigd. Bij alle tekortkomingen was er één punt van fundamentele vooruitgang, namelijk de versterking van geloofwaardigheid van de mulitalterale stem omdat er meer mogelijkheden onstonden en werden benut om de daad bij het woord te voegen in een omgeving waarin woorden snel hol kunnnen klinken. Door de jaren heen is de verzameling van UN Peace Keeping Operations met ongeveer 100.000 geüniformeerde mannen en vrouwen uitgegroeid tot één van de grootste legers in de wereld. Oost-Timor, Liberia, Sierra Leone of Haïti, om enkele sleuteloperaties te noemen, zagen hun geschiedenis ten goede gekeerd onder dekking van de Veiligheidsraad – met mannen en vrouwen gerecruteerd uit de hele wereld op hun post om daadwerkelijk te handelen uit naam van het Handvest. Onder meer in de genoemde landen is enorme vooruitgang bereikt in het voorkomen van de noodzaak voor mensen om hun huis of land te ontvluchten of voor vluchtelingen en ontheemden om terug te keren en weer hun legitieme plaats in te nemen in de samenleving.
In een meer recente periode is een ander type operaties ontstaan onder de noemer ‘speciale politieke missies’. Bijvoorbeeld in Somalië om bij te dragen aan zeer broos herstel van instituties in een land van anarchisme en strijd. In de Centraal-Afrikaanse Republiek om een door velen verlaten land en bevolking niet aan het noodlot over te laten. Of in Nepal ter supervisie van het inleveren van de wapens door maoïstische opstandelingen als essentiële voorbereiding op hun integratie in het constitutionele systeem en hun deelname aan verkiezingen. De twee grootste politieke missies van dit moment zijn gevestigd in Afghanistan en Irak met als voornaamste taak het ondersteunen van de overgang van oorlog en crisis naar orde en gezag. Dit is niet een rol die kan worden afgedwongen door UN peacekeepers. De militairen waarmee ik werk in Irak zijn er om te adviseren over veiligheid en om de missie zelf te beschermen. Het doel van de missies is de voorwaarden te scheppen voor herstel van nationale autoriteit – na jaren van internationaal conflict en inmenging. De hoofdtaak van de VN ligt daar in het verlenen van steun en advies aan regering, politieke partijen en niet-gouvernementele organisaties gericht op versterking van constitutie en instituties, het organiseren van verkiezingen, bemiddeling bij het oplossen van conflicten, bevorderen van het naleven van mensenrechten en ondersteuning van economisch en sociaal herstel. Onder de paraplu van deze missies worden ook de humanitaire activiteiten georganiseerd die voor vluchtelingen en ontheemden van groot belang zijn. De aanwezigheid van de VN kan druk zetten op partijen om elementaire beginselen in acht te nemen en goede praktijken van elders in te voeren onder omstandigheden die anders de grootste kansen bieden aan de grootste bezitters van wapens en geld. Zo bouwen VN-missies als kristallisatiepunt voor internationaal gelegitimeerd partnerschap in post-conflict situaties mee aan de versterking van de internationale rechtsorde. Ik herinner me uit de eigen praktijk levendig de twee sleutelmomenten bij de verkiezingen vorig jaar in Irak.
Het eerste moment was de totale patstelling over de verkiezingswet die al tot uitstel van de datum had geleid met de dreiging van afstel op de loer. Gelet op alle gevoeligheden en belangen waren het niet de Amerikanen, de Arabische Liga, Turken of Iraniërs die partijen bij elkaar konden brengen, maar de VN-missie, United Nations Mission for Iraq – UNAMI, op basis van het Veiligheidsraadmandaat. Ik ben velen in en buiten deze zaal vandaag dankbaar voor hun bijdragen aan het vullen van mijn politieke gereedschapskist die in Bagdad goed van pas kwam.
Het tweede moment was na de verkiezingen toen onder hoogspanning de partij van de premier weigerde de voorlopige uitslag te accepteren en zware druk uitoefende op UNAMI om het oordeel te veranderen dat het resultaat ‘geloofwaardig’ was. De uitkomst van de krachtmeting was de aanvaarding van een normale beroepsgang – door middel van gedeeltelijke hertelling die tot mijn grote opluchting de aanvankelijke uitslag bevestigde. Met de daarop volgende regeringsformatie – langer durend dan in Nederland, korter dan in België – is uiteindelijk de historische mijlpaal bereikt van de eerste vreedzame overgang van de ene naar de volgende gekozen regering in de grote geschiedenis van Mesopotamië. Daarmee is uiteraard lang niet alles gezegd of gedaan. Verkiezingen zijn een middel en geen doel. Het aantal werkelijk ingewikkelde uitdagingen in Irak is groot – parallel aan geleidelijke vooruitgang die ook zichtbaar wordt in de terugkeer van kleur tussen de grijze betonnen beschermingsmuren van Bagdad. De kern van mijn punt hier is dat de VN over meer instrumenten dan vroeger beschikt om de rechtsorde te dienen – ook in Irak als onmisbare voorwaarde om tenminste het gesprek te openen over een nieuwe toekomst voor vluchtelingen en ontheemden.
We zien in feite een voortdurende evolutie en innovatie in de mandaten die per saldo de operationele rol van de VN op veel plaatsen in de wereld versterken – met de belangrijke kanttekening dat in de regel politieke belangen de ruimte bepalen voor de toepassing van internationale rechtsbeginselen in plaats van hoe het andersom zou moeten zijn. Onmiskenbaar is echter de invloed van precedentvorming op een ontwikkeling die het gewicht van het Handvest en de rol van de VN in vredeshandhaving, rapportage en bemiddeling met ups and downs trendmatig versterkt.
Laat me in kort bestek drie recente illustraties bespreken die alle zo hun voors en tegens hebben maar nog niet lang geleden niet erg waarschijnlijk zouden zijn geweest.
De eerste is het referendum begin dit jaar dat de basis vormde voor de binnenkort uit te roepen nieuwe staat Zuid-Soedan. Het onder VN auspiciën uitgevoerde langjarige proces weersprak de sceptici die geen mogelijkheid zagen dat het opdelen van een bestaande, machtige, staat in Afrika tot een aanvaarde uitkomst zou worden gebracht. Zeker, de fundamenten voor de nieuwe staat zijn in vele opzichten wankel en de strijd rondom het betwiste gebied van Abiye en zijn oliebronnen is zorgwekkend voor nu en de toekomst. Toch blijven de uitvoering van het referendum en de VN-rol hierbij een mijlpaal in het vreedzaam regelen van een conflict dat meer dan vijftig jaar woekerde en verdeelde en miljoenen mensen het leven heeft gekost.
De tweede illustratie is de rol van de Veiligheidsraad in de resoluties die in februari en maart van dit jaar door de Veiligheidsraad zijn aangenomen inzake Libië. Door velen is dit als een doorbraak gezien na jarenlange pleidooien en debatten om het beginsel van ‘responsibility to protect’, verantwoordelijkheid om te beschermen, als nieuwe pijler in de grond onder het internationale recht te heien. Met het aanvaarden van dit beginsel wordt beoogd om in te grijpen ter voorkoming van humanitaire catastrofes door burgeroorlog en genocide. Dit voert terug tot pijnlijke zelfanalyse binnen de VN na de genocides in Rwanda en Bosnië en getuigt in die zin, ondanks alle onvolkomenheden en opportunisme, van hoopgevend leervermogen binnen een relatief korte tijd na die verschrikkelijke ervaringen. De totstandkoming en detaillering van maatregelen in de resoluties over Libië was adembenemend. Minstens zo belangrijk was de beslissing van China en Rusland om af te zien van een veto over de legalisering van een vergaande interventie uit naam van de wereldgemeenschap. Deze ontwikkeling heeft als gevolg en is tevens uitdrukking van toegenomen autoriteit van de VN, als plaats en als drager van besluitvorming. Ook in dit geval passen belangrijke kanttekeningen. De geschiedenis van olie, Khadaffi en verzwakking van de defensie maken van Libië een bijzonder geval. Op Al-Jazeera tv stellen serieuze commentatoren de vraag of de westerse interventie kolonialisme in een nieuw maatkostuum is. Er zijn sterke redenen die tegen zulk cynisme pleiten – maar pas na verloop van tijd zal blijken welke gevolgen in vergelijkbare situaties zullen worden getrokken. Hoe dan ook is de VN in een nieuwe fase aangekomen die per saldo haar gezag ten goede komt.
De derde illustratie, de recente machtsoverdracht in Côte d’Ivoire, Ivoorkust, heeft ook verschillende kanten, maar opnieuw beschouw ik de balans als hoopgevend. De inzet was hoog na de verkiezingen waarbij de fungerend president niet wilde wijken voor de rechtmatige winnaar. Het drama hiervan reikte verder dan tot Côte d’Ivoire alleen. In de afgelopen jaren hadden soortgelijke scenario’s tot geweld en uitonderhandelde maar in feite onrechtmatige arrangementen van machtsdeling geleid in Zimbabwe en Kenia. Als dit zich zou hebben herhaald zou de algemene geloofwaardigheid van verkiezingen onder internationaal toezicht aanzienlijke schade zijn toegebracht. De Veiligheidsraad trok hier echter een nieuwe lijn in het zand door het goedkeuren van (met name Frans) militair ingrijpen en door het autoriseren van gewapend optreden van VN-troepen ter ondersteuning van de gekozen president. Inmiddels is de gekozen president Ouattara geïnstalleerd en voormalig president Gbagbo gearresteerd. Bij de positieve uitkomst past opnieuw het belangrijke voorbehoud dat het naïef zou zijn om aan te nemen dat er nu plotseling een nieuwe doctrine van globale interventie laat staan een nieuw legaal kader zou zijn voor ingrijpen in soortgelijke omstandigheden in de toekomst. De politieke realiteit zal zwaar blijven wegen per geval. Echter het doorbreken van de straffeloosheid van machtsmisbruik, de vloek van de impunity, is een krachtig signaal naar de toekomst, ter waarschuwing van potentiële daders en ter ondersteuning van hun slachtoffers.
In deze ontwikkelingen worden geleidelijk lijnen zichtbaar van een nieuwe architectuur voor een noodzakelijk gezaghebbende rechtsorde in een globaliserende wereld. Hier in Den Haag is dit nu iedere dag zichtbaar in de rechtspraktijk van het Internationale Strafhof. Ik ben het niet eens met degenen die het werk van de aanklager als obstakel zien voor het bereiken van realpolitische oplossingen in bijvoorbeeld Soedan of Libië. Het is juist vooruitgang dat de anonimiteit van uitoefening van staatsgezag wordt aangevuld met individuele aanspreekbaarheid, want besluiten in goede en slechte tijden zijn mensenwerk. Ik gedenk in dit verband Hans van Mierlo die als minister van Buitenlandse Zaken in het eerste kabinet-Kok bewogen pleidooien hield voor Nederlandse steun aan het Internationale Strafhof Verdrag, in weerwil van verzet van grote mogendheden inclusief de VS. Sluipenderwijs zien we echter nu de Veiligheidsraad de hulp van het strafhof inroepen om druk te zetten en te houden op aanvaardbare vormen van machtsuitoefening. Dit is ongetwijfeld een ontwikkeling aan het begin van een lange weg naar nieuwe rechtsvorming.
Deze trend is fundamenteel voor de versterking van de positie van vluchtelingen en ontheemden. Hoe duidelijker het politieke kader voor internationale betrokkenheid hoe meer direct de kansen op daadwerkelijke integratie en waar nodig opvang. Voor vele vluchtelingen uit vele jaren is er nu nieuw perspectief in Zuid-Soedan. In Côte d’Ivoire zijn een nieuw conflict en massale verplaatsing van mensen in de kiem gesmoord. En in Libië? Daar bleef in de afgelopen maanden veel te wensen over om mensen niet aan hun lot over te laten op zinkende schepen, in het zicht van de Europese haven. Ik citeer met instemming Antonio Guterres: “Europa’s verplichting aan het succes van Noord-Afrika’s democratische transformatie zal eerst en vooral worden afgemeten aan de wil om betekenend te investeren in de economieën en instituties van de landen van de Arabische Lente. Maar ook aan de menselijkheid die zal worden getoond ten opzichte van degenen wier strijd zulke dramatische veranderingen heeft tot stand gebracht.”[1] Een internationale rechtsorde dient niet alleen zo nodig te worden afgedwongen met een no-fly zone, maar ook te kunnen steunen op een hospitality zone. Stabiliteit en mensenrechten gaan hand in hand. Ik zie tekenen die hoop geven. En ik hoop op tekenen die daden bij woorden voegen.
II De armen halen verhaal bij de rijken
Deze bemoedigende ontwikkelingen komen samen met een tweede trend die de verhoudingen in de wereld waarmee mijn generatie is opgegroeid fundamenteel op de kop zet, weg van de beelden en feiten die in het nog zo lange verleden naar het bestaan van een ‘derde wereld’ verwezen. De reden dat velen in de zestiger en zeventiger jaren motivatie voelden om zich te engageren in actie voor een betere wereld moge indertijd naïeve kanten hebben gehad, ten diepste was de drijfveer gelegen in een acuut bewustzijn dat groeiende ongelijkheid vroeger of later zou leiden tot uitdagingen en agressie om de kloof tussen arm en rijk te overbruggen.
De geitenwollensokkendragers zagen het goed. Later is nu. We leven in een wereld waar de armen verhaal komen halen bij de rijken en het gaat heel snel. Want de logica van iedere jonge man of ouder van kinderen waar ook ter wereld is een hele simpele: ik wil zijn waar ik een bestaan kan vinden en een betere toekomst voor mijn kinderen. En zoals miljoenen boeren en hun kinderen in China en India naar de grote steden trekken; tallozen uit de Filippijnen of Bangladesh de Arabische rijkdom hebben opgezocht; zo zijn Latino’s massaal de Rio Grande overgestoken; en hebben we in Europa de Middellandse Zee zien veranderen tot toegangspoort – ondanks alle gevaar en uitzichtloosheid van avontuur.
Velen zijn in de afgelopen tijd met stomheid geslagen bij het gadeslaan van de opstand van jonge generaties in Tunesië, Egypte, Jemen, Bahrein, Syrië en opnieuw Libië. We waren ziende blind. Meer dan anderen hadden Europeanen kunnen zien aankomen dat de welvaart aan het noorden van die azuurblauwe zee op den duur niet kan samengaan met armoede, werkloosheid en discriminatie aan de zuidrand. Sinds 2002 heeft UNDP, United Nations Development Programme, vijf grensverleggende rapporten, de Arab Human Development reports, gepubliceerd, geschreven door onderzoekers en denkers uit de Arabische wereld zelf, toegespitst op de drie grote tekorten in de regio: toegang tot kennis, ruimte voor politieke vrijheid en rechten van vrouwen. Ondertussen bleef de Europese Unie afstandelijk, defensief strijdend tegen uitingen meer dan tegen bronnen van terrorisme. En bovendien geobsedeerd door de misvatting dat de islam één grote wereld met één veroveringsplan vertegenwoordigt. Nu de revolutie blijkt te worden gedragen door gewone mensen met normale aspiraties en moeizame vooruitgang binnen hun bereik is gekomen rijst de vraag: is dit een bedreiging of een kans? Het is niet moeilijk om risico’s op terugslag of tegenbeweging te voorzien. Maar laten we ten diepste de boodschap verstaan die is gegraveerd in het prachtige woord dat bij uitstek de uitdrukking is van de hoop en verwachting die in de Arabische Lente is opgebloeid: waardigheid, dignity. Dit woord ademt democratie. Waardigheid is ondeelbaar, er bestaat geen eerste en tweede klas. In essentie geeft het vorm aan de erkenning van ieder individu in zijn of haar eigen recht. In de wereld van vandaag is het niet gewaagd te spreken over misschien een derde, meer dan twee miljard mensen, die zijn verstoken van zelfs de minimumgarantie op het uitoefenen van dat recht. Dat zijn niet alleen mensen die moeten rondkomen met één of twee dollar per dag. Het zijn ook de rechtelozen en de rustelozen die van land naar stad trekken, van land naar land en als het niet anders kan van continent naar continent in Azië, Afrika, Amerika, Europa. Zouden wij anders doen of willen in hun situatie?
Wat we vandaag ‘Arabische lente’ noemen is de ontbolstering na een lange winter van afzijdig zijn of afzijdig gehouden worden. Dat gebeurt in onze nabuur regio. Dat geeft aanleiding op Wereldvluchtelingendag, onder hopelijk nieuwe omstandigheden en met nieuwe uitdagingen aan het adres van de oude wereld, te pleiten voor een grondige aanpak van de erfenis uit het verleden die een smet is gebleven op de uitvoering van resoluties sinds 1948. Ik doel op de meer dan 4,5 miljoen Palestijnse vluchtelingen en hun nakomelingen die met name in Jordanië, Libanon, Syrië en in Westbank en Gaza in gijzeling zijn gebleven van een politieke patstelling tussen Israël en Palestijnen. De United Nations Relief and Works Agency, UNWRA, steunt al meer dan zestig jaar vluchtelingen die niet hun recht hebben mogen halen. In essentie is hun individuele recht ondergeschikt gemaakt aan collectieve politieke belangen. Nu is hopelijk de tijd gekomen dat de Palestijnse hypotheek onder impuls van de Arabische lente kan worden afgelost. Het zal een grote internationale inspanning vragen om erop toe te zien dat meer democratie in de regio de belangen zal dienen van wederzijdse veiligheid en erkenning voor en van Israël en een Palestijnse staat. En dan uiteindelijk zal leiden tot een oplossing die de “rechten en aspiraties van Israëlis en Palestijnen respecteert” in de woorden van president Obama op 19 mei.[2] Voor wie de Arabische Lente als de weg naar de toekomst beschouwt is het moeilijk in te zien hoe meer vrijheid de vijand zou kunnen blijven van duurzame vrede.
We merken overal om ons heen dat de armen en rechtelozen naar ons toekomen om hun verhaal te spiegelen aan het onze. Het zijn niet alleen individuën die recht en burgerschap zoeken. Ook op statelijk niveau zijn fundamentele verschuivingen zichtbaar. Het zal niet lang meer duren voordat de structuur van de Veiligheidsraad op de schop gaat. Nu zijn de rechten nog gebaseerd op de verhoudingen in 1944 die de VS, het VK, Frankrijk, Rusland en China het nog altijd geldend exclusieve vetorecht bezorgden. Bij gelegenheid van het recente rapport dat ik uitbracht aan de Raad over Irak viel het me op dat in de afgelopen jaren sluipenderwijs in de rotatie van de tien niet-permanente leden de nieuwe wereldmachten oprukken. In deze periode zitten Brazilië, Duitsland, Zuid-Afrika, Nigeria en India aan tafel; Japan, Mexico en Turkije zijn er net uit, met frisse tegenzin. De tijd is voorbij dat Nederland op eigen houtje nog ver kan reiken – Nederlander met invloed kun je nog het beste zijn binnen het verband van Europa. Hoe we ons daarop instellen is een cruciale vraag vanuit ons eigen belang maar ook in het belang van het versterken van de internationale rechtsorde. Huiselijk gezegd: blijven we bevreesd binnen of gaan we met zelfvertrouwen naar buiten? Tekenen we een contract met de wereld of een verklaring van “voorliefde voor het eigen volk (gepaard met een zekere afkeer van het vreemde)” zoals Van Dale de term ‘nationalisme’ duidt?
III Nationalisme is zelfbedrog
Wie is vluchteling en wie is migrant? Wie behoort waar? Ben ik mijn broeders hoeder? In 1987 debatteerde de Tweede Kamer over een regeringsnota inzake het asielbeleid. Ik herinner me het debat nog heel goed omdat het mijn maidenspeech betrof als teammaat van mijn al zo lang zeer gemiste collega Maarten van Traa. Politiek gesproken was het een belangrijk moment omdat de nota de eerste fundamentele uitdaging vormde van de garanties uit het Vluchtelingenverdrag van 1951. Het aantal asielzoekers vertoonde een sterk stijgende trend oplopend tot circa 13.500 in 1987 – nog ver verwijderd van het record in 1994 (53.000). De samenleving vertoonde tekenen van onrust. Politieke motieven van asielzoekers werden vaak niet vertrouwd en dat was te vaak om goede redenen. Toegang tot Nederland en andere welvarende landen werd steeds vaker op industriële schaal georganiseerd. Het verschil tussen asielzoeker en migrant verminderde zienderogen, dramatisch in de mening van het publiek en oncomfortabel op het bureau van rechters en ambtenaren. Wat we nu weten is dat dit debat slechts de vooraankondiging was van al bijna vijfentwintig jaar eerst fluisterend en daarna schreeuwend ongemak met deze kant van de medaille van globalisering. Ik herinner me het als een emotioneel debat in een tijd dat de parlementaire zeden en gewoonten nog niet die van het stadion hadden aangenomen. Achteraf bezien kan worden geconcludeerd dat terwijl aan beide zijden hartstochtelijk werd beargumenteerd waarom de andere kant het aan het verkeerde eind had, beide zijden in feite gelijk hebben gekregen.
Van Traa en ik, gesteld tegenover minister Van den Broek en staatssecretaris Korte-Van Hemel, verdedigden met hand en tand de legale zuiverheid van het politieke asielrecht als de onaantastbare grondslag van naoorlogse internationale solidariteit. Onze generatie was opgegroeid in vastberadenheid niet de deur dicht te gooien voor mensen die vervolging ervoeren of vreesden, voor meningen en acties gebaseerd op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. We sloten zeker onze ogen niet voor de toenemende frequentie van verzonnen asielmotieven, maar onderkenden het risico dat geleidelijk aan restricties in nationale wetgeving de fundamenten van het Vluchtelingenverdrag zouden ondergraven. Sta mij toe uit eigen werk van 24 jaar geleden te citeren: “Zeker, ook de PvdA-fractie wil erkennen, dat een deel van de huidige stroom van asielzoekers ten onrechte een beroep doet op de in het Vluchtelingenverdrag gegeven gronden. En eveneens achten wij ons gebonden aan een restrictief toelatingsbeleid voor vreemdelingen. Maar dit mag nooit leiden tot vermindering van begrip voor de motieven van al degenen, die een beroep op toelating doen, tot aantasting van de zorgvuldigheid van procedures die hecht verankerd behoren te zijn en te blijven in de Nederlandse rechtsstaat als waarborg tot waardige behandeling voor zowel binnen- als buitenlanders.”[3]
Aan de andere kant werd de regering dagelijks geconfronteerd met verhalen over buitenlanders die de steden en nog meer opvallend plattelandsgemeenten ‘overspoelden’ en, waar of niet waar, polarisatie opriepen tussen de vrees van de autochtoon en de steun voor de allochtoon – in de tijd dat we dat onderscheid nog dachten te kunnen maken. Het was de opmaat voor steeds verder oplopende spanning tussen ’wij’ en ’zij’, ongeacht waar ‘zij’ vandaan kwamen of wat ze ons te bieden hadden. En niet alleen ’wij’ in Nederland, maar ook ’wij’ in Denemarken, Oostenrijk, België, Frankrijk, Zwitserland, Zweden en waar al niet, tegenover de ‘zij’ uit bijvoorbeeld toenmalig Zaïre (DR Congo), Ghana, India, Suriname, Turkije, Somalië, Iran en, ja, Irak.
‘Wij’ en ’zij’: dat was en is de vraag in het hart van de solidariteit met de vluchteling. Ze is nu deel geworden van nog veel meer omvattende vragen over staat en natie; globale uitdaging en lokale verankering; integratie en identiteit. Bezien in deze samenhang behoeven vluchtelingen niet als een uitzonderlijke groep te worden beschouwd. We zouden hen kunnen zien als boodschappers van de staat waarin de wereld verkeert. Zij roepen op tot het versterken van bestuur en solidariteit op globaal niveau, uitgaande van de werkelijkheid zoals die is en niet zoals die vanuit politieke of economische belangen wordt geprojecteerd. Deze oproep stelt zich tegenover dagelijkse lawines van vijandigheid tegen het publieke belang; tegenover het negeren van onhoudbare en onaanvaardbare ongelijkheid in het dagelijkse leven; en tegenover de manipulatie van feiten en percepties door middel van massacommunicatie. Wie zich serieus bezig wil houden met het lot van vluchtelingen of ontheemden is gehouden de sleutelvragen onder ogen te zien die vitaal zijn voor onze hele maatschappelijke orde:
Waarom wordt een virtuele wereld zonder grenzen als vrijheid ervaren en een reële wereld zonder grenzen als bedreiging?
Waarom weten we dat diepe ongelijkheid leidt tot conflict, opstand en migratie en zijn we toch niet in staat of bereid meer te investeren in en te delen met de arme kant van de wereld?
En waarom is het normaal geworden dat vele politieke leiders zich afkeren van het beschrijven van een ‘multiculturele samenleving’ terwijl ze heel goed weten dat dit de dagelijkse realiteit is overal in de wereld?
Dit is misschien het antwoord:
“een groot onweer
van ongenoegen
met de status quo
ontworteld door
eigen gemaakte bliksem”
(Naar het gedicht van de koning van beknoptheid, Bert Schierbeek.[4])
Hoe komen we uit dit onweer?
Het dient geen belang om verwijten te maken aan gewone hard werkende en de wet respecterende burgers die binnen niet meer dan één à twee generaties de op veilige afstand verkerende wereld van koloniën en ‘derde wereld’ radicaal hebben zien veranderen in de werkelijkheid van buren, bezoekers en concurrenten. Argwaan of een vluchteling een vluchteling is; of eerst honderden migranten niet later zullen worden gevolgd door tienduizenden; en of het tolereren van ‘hun’ uitheemse riten en gewoonten niet ten koste zal gaan van ‘onze’ verlichte normen en waarden: zulke argwaan kan en moet worden verstaan en beantwoord, niet ontkend. Maar laten we wel wezen: ontkend worden deze zorg en vrees in Europa al lang niet meer, integendeel. Waar echter de grote leemte is ontstaan, is in het gebrek aan aanspreekbaar leiderschap dat in staat en bereid is de waarheid te vertellen over universele waarden in een open wereld in plaats van de mythe te exploiteren van lokale exclusiviteit achter gesloten grenzen. Migranten zijn en gaan overal, niet alleen naar onze kusten. Vluchtelingen hebben vandaag steun nodig hier en misschien morgen elders – maar als iedereen naar elkaar blijft wijzen is het te laat. In de vijfde Van Heuven Goedehart lezing in 2005 vatte Ruud Lubbers, een andere hoog gewaardeerde voorman in de VN-estafette, de harde werkelijkheid bondig samen: “Vluchtelingen weerspiegelen het politieke tekort in de landen van herkomst. (…) Stromen vluchtelingen ontstaan daar, waar bestuur faalt. Waar geweld en schendingen van mensenrechten de realiteit vormen.”[5]
Vijf jaar later was een ambtelijke werkgroep hier te lande gedwongen in het kader van een inventarisatie van bezuinigingsmogelijkheden de vraag onder ogen te zien of opzegging van het Vluchtelingenverdrag of het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens ons verder zou kunnen helpen. De vraag stellen was haar beantwoorden, zo bleek niet verrassend. Ik citeer met instemming de conclusie van hoogleraar immigratierecht Peter Rodrigues: “De stugheid van mensenrechtenverdragen (…) kan gezien worden als waarborg ter bescherming van de fundamentele en democratische waarden binnen de internationale gemeenschap. Politieke opvattingen die hiermee in strijd zijn – zoals een immigratiestop uit islamitische landen – zullen de toetsing aan mensenrechtenverdragen niet doorstaan en kunnen evenmin eenvoudigweg leiden tot opzegging. Er is op dit punt sprake van een weerbare democratie.”[6]
Die stugheid is nodig omdat onveranderd blijven de actualiteit en urgentie van het pleidooi van president Roosevelt in 1941 voor de garantie van de vier vrijheden: de vrijheid van meningsuiting en religie en de vrijwaring van gebrek en vrees.[7] Wie zou zich vandaag hiervan willen afkeren?
Het is de hoogste tijd om in de spiegel te kijken en onszelf de vraag te stellen: kunnen wij vrij leven in een wereld die onvrij is voor anderen? In heel Europa zien we in het aangezicht van de vreemdeling het oprukken van restrictieve maatregelen, instinctieve afkeer en verborgen of openlijke discriminatie. Tegelijk en contraproductief worden inspanningen voor ontwikkelingssamenwerking teruggedraaid en is inmiddels het aantal Nederlanders in VN-vredesoperaties gedaald tot 46, ruim 6% van het aantal dat Zambia levert. Het voordeel is dat er nu weer meer personeel beschikbaar is voor de bewaking van de dijken rond onze identiteit . . . ..
Laat geen misverstand bestaan dat het inderdaad een goede zaak is om in een sterk globaliserende omgeving de eigen identiteit te kennen en te willen erkennen. Maar dan zal ook eerlijk rekenschap moeten worden gegeven van alle bouwstenen waaruit in de loop der tijd onze nationale identiteit is gevormd. Die identiteit biedt geen alibi voor nationalisme. Wij zijn wie we zijn omdat in de loop der eeuwen steeds weer de deur naar een betere toekomst voor ons allen is geopend naar nieuwe hersenen, handen en motivatie die nieuwkomers met zich mee plegen te brengen, op voorwaarde dat wij hun rechten en zij hun plichten respecteren en nakomen. Het is zelfbedrog om te denken dat we zonder zouden kunnen of verder zouden komen met de rug naar de toekomst gekeerd.
Een breed samengestelde ‘Group of Eminent Persons’, bijeengebracht door de Raad van Europa onder leiding van Joschka Fischer, pleitte vorige maand in een belangrijk rapport “Samen Leven”[8] voor het aanvaarden en verinnerlijken van een daardoor niet dreigende maar wenkende toekomst: “Diversiteit is Europa’s bestemming”.
Dus in plaats van schuilen achter de schutting tussen ‘wij’ en ’zij’ moeten we erop uit om bruggen te slaan. Een brug over de Middellandse Zee teneinde de verschrikkelijke scenes van dood en verderf te voorkomen in dezelfde blauwe zee waarin we zo graag zwemmen in onze vakantie. Een stevige brug in plaats van hoge hekken en dichte grenzen om rijk van arm te scheiden. Een brug geconstrueerd uit de waarden die verklaringen en conventies over vluchtelingen, mensenrechten en humanitaire samenwerking hebben gecodificeerd als grondslag voor de globale samenleving die burgerschap biedt aan allen.
Graag zeg ik u dank voor het willen luisteren naar deze beschouwing die ook een oproep wil zijn om op te staan voor de essentiële waarde dat iedere mens die bij ons aanklopt zal worden beoordeeld zonder vooroordeel wanneer de omstandigheden dat vereisen. De Hof van Eden niet als luchtspiegeling in de woestijn van Irak, maar als bloeiende tuin van welkom voor wie in nood verkeert.
Ik deel in de nationale trots op de vooruitgang die in binnen- en buitenland is bereikt door het harde werken door zo velen in dit land. Zo gemotiveerd als ik ben om onder de blauwe VN-vlag te dienen, zo graag zie ik rood-wit-blauw als teken van thuis. Waar het om gaat is dat die twee samengaan, ja niet zonder elkaar kunnen. We hoeven niet te vrezen voor onze identiteit. Die is zo sterk dat vele anderen zich daardoor voelen aangetrokken. En zo fundamenteel dat ze is neergelegd in de beginselen van onze Grondwet, artikel 1 en verder. Beginselen van gelijkheid en rechtvaardigheid die onlosmakelijk verbonden zijn met onze karakteristieke nationale erfenis. Onze identiteit is solidariteit.
[1] International Herald Tribune, 10 mei 2011
[2] “Middle East speech” at Department of State, 19 mei 2011
[3] Handelingen Tweede Kamer, 9 april 1987 op www.polidocs.nl
[4] Bert Schierbeek: De Gedichten, Amsterdam 2004, p. 468
[5] Ruud Lubbers, Vluchtelingen in onze tijd. Mijn hart voor vluchtelingen, vijfde Van Heuven Goedhart lezing, 23 juni 2005
[6] Peter R. Rodrigues, De grenzen van het vreemdelingenrecht. Rede uitgesproken bij de aanvaarding van de leerstoel immigratierecht aan de Universiteit van Leiden, 3 september 2010
[7] President Franklin D. Roosevelt, Message to Congress, January 6, 1941
[8] “Living Together. Combining diversity and freedom in 21st-century Europe.” Report of the Group of Eminent Persons of the Council of Europe, May 2011.